← Alle artikels
Overheidsopdrachten17 september 2026 · 6 min. leestijd

Europese wetgeving overheidsopdrachten: de drie richtlijnen, en de hervorming die eraan komt.

Geschreven door het Eldorados-team

Wie in België op een overheidsopdracht inschrijft, botst vroeg of laat op de wet van 17 juni 2016. Die wet is echter geen Belgische uitvinding — ze zet Europese richtlijnen om in nationaal recht. Wie begrijpt hoe die Europese laag in elkaar zit, begrijpt ook waarom de Belgische regels zijn zoals ze zijn, en ziet een hervorming aankomen die er vanaf ongeveer 2030 een stuk anders zal laten uitzien.

De kern van het huidige kader bestaat sinds 2014 uit drie richtlijnen. Richtlijn 2014/24/EU regelt de 'klassieke' overheidsopdrachten — de aanbestedingen van federale, regionale en lokale overheden voor werken, leveringen en diensten. Richtlijn 2014/25/EU doet hetzelfde voor de zogenaamde nutssectoren: water, energie, vervoer en post, waar ook private spelers onder de regels kunnen vallen als ze een exclusief of bijzonder recht hebben. Richtlijn 2014/23/EU tot slot regelt concessieovereenkomsten — opdrachten waarbij de opdrachtnemer zijn vergoeding niet (enkel) van de overheid krijgt, maar het exploitatierisico draagt, zoals bij een parking of een tolweg.

Richtlijn 2014/24/EU legt ook vast via welke procedure een aanbestedende overheid een opdracht mag plaatsen. De openbare procedure staat in principe open voor elke geïnteresseerde onderneming; bij de niet-openbare procedure selecteert de overheid eerst kandidaten voor ze een offerte mogen indienen. Voor complexere opdrachten — een groot infrastructuurproject bijvoorbeeld — bestaat de mededingingsprocedure met onderhandeling of de concurrentiegerichte dialoog, waarbij overheid en inschrijvers de opdracht samen verder uitwerken voor de definitieve offertes worden ingediend. Welke procedure toegelaten is, hangt af van de aard van de opdracht en, opnieuw, van de drempel.

Een cruciaal begrip in al deze richtlijnen is de drempelwaarde. Onder de drempel blijft een opdracht in principe een nationale aangelegenheid, met nationale publicatieregels — in België dus via e-Procurement en het Bulletin der Aanbestedingen. Boven de drempel moet de opdracht ook op Europees niveau bekend gemaakt worden, via TED (Tenders Electronic Daily), zodat elke onderneming uit de EU een eerlijke kans krijgt om mee te dingen.

Die drempels liggen niet vast — de Europese Commissie herziet ze om de twee jaar, onder meer om ze af te stemmen op de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten. Voor 2026-2027 gelden nieuwe, licht lagere bedragen: 140.000 euro voor leveringen en diensten bij aanbestedingen van centrale overheden, 216.000 euro wanneer een decentrale overheid — een gemeente bijvoorbeeld — aanbesteedt, 432.000 euro in de nutssectoren, en 5.404.000 euro voor werken en voor concessies. Voor een aannemer die een wegenwerk of een schoolrenovatie binnenhaalt, is vooral die laatste drempel relevant: pas boven de 5,4 miljoen euro moet een werk verplicht EU-breed gepubliceerd worden, al kiezen veel Belgische aanbesteders er in de praktijk voor om ook kleinere opdrachten op e-Procurement te zetten.

Een tweede kernidee uit richtlijn 2014/24/EU is dat de laagste prijs niet automatisch wint. Een aanbestedende overheid moet gunnen aan de 'economisch meest voordelige inschrijving' — een criterium dat ook kwaliteit, duurzaamheid, uitvoeringstermijn of sociale aspecten mag meewegen, niet enkel de prijs. In de praktijk verschilt het gewicht dat aan elk criterium gegeven wordt sterk van opdracht tot opdracht, maar het principe zelf is verplicht: een bestek moet vooraf duidelijk maken hoe de punten verdeeld worden.

In België zijn deze richtlijnen omgezet in twee afzonderlijke wetten van dezelfde datum: de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten, en de wet van 17 juni 2016 betreffende de concessieovereenkomsten, beide gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 14 juli 2016. Samen met de bijhorende uitvoeringsbesluiten vormen ze het wettelijk kader waarbinnen elke Belgische aanbesteder — van een federale overheidsdienst tot een gemeentebestuur — een opdracht moet plaatsen: welke procedure toegelaten is, welke selectie- en gunningscriteria mogen meespelen, en hoe een opdracht na gunning wordt uitgevoerd.

Richtlijn 2014/24/EU bevat ook maatregelen die specifiek bedoeld zijn om kmo's makkelijker te laten meedingen. Aanbestedende overheden worden aangemoedigd om een grote opdracht op te splitsen in percelen, zodat een gespecialiseerde onderaannemer voor één deel kan inschrijven zonder het volledige project te moeten kunnen uitvoeren. Daarnaast voerde de richtlijn het Uniform Europees Aanbestedingsdocument in — een gestandaardiseerd zelfverklaringsformulier waarmee een onderneming voorlopig bevestigt dat ze aan de selectiecriteria voldoet, zonder meteen alle bewijsstukken te moeten voorleggen. Pas de uiteindelijke winnaar moet die bewijsstukken achteraf effectief aanleveren.

Een minder bekend onderdeel van datzelfde Europese kader is richtlijn 2014/55/EU, die elektronische facturatie bij overheidsopdrachten verplicht maakt. Dat is een andere verplichting dan de bredere Belgische Peppol-regel voor facturatie tussen bedrijven onderling vanaf 2026 — maar ze delen dezelfde onderliggende logica: een gestructureerd formaat in plaats van een PDF, zodat een factuur machinaal verwerkt kan worden.

Dat het huidige kader intussen meer dan tien jaar oud is, is niet zonder gevolgen gebleven. Een evaluatie die de Europese Commissie in 2025 afrondde, stelde vast dat de richtlijnen hun doelstellingen maar gedeeltelijk hadden bereikt: meer complexiteit dan bedoeld, te weinig flexibiliteit voor aanbestedende overheden, zwakkere concurrentie bij inschrijvingen, beperkte grensoverschrijdende deelname, en een ongelijk gebruik van strategische overwegingen zoals duurzaamheid.

Op basis van die evaluatie stelde de Commissie op 9 september 2026 een Public Procurement Act voor. Het voorstel wil de regels van de drie bestaande richtlijnen — samen met een reeks andere teksten — bundelen in één coherenter kader, sterker inzetten op digitalisering en flexibiliteit, en 'Europese voorkeur'-criteria invoeren voor bepaalde strategische technologieën en sectoren. Over de precieze juridische vorm bestaat nog onduidelijkheid: sommige bronnen spreken van een verordening, die zonder omzetting rechtstreeks van toepassing zou zijn, terwijl andere waarnemers een richtlijn verwachten, die — net als in 2014 — opnieuw door elke lidstaat in nationaal recht omgezet moet worden.

Wat de vorm ook wordt, snel gaat dit niet. Realistische inschattingen houden rekening met twee à drie jaar wetgevend proces, gevolgd door de tijd die lidstaten nodig hebben om de regels om te zetten — waardoor een volledig nieuw kader ten vroegste rond 2030-2031 in voege zou treden. Voor wie vandaag inschrijft op een overheidsopdracht, verandert er dus voorlopig niets aan de wet van 17 juni 2016.

Wat wel nu al nuttig is: weten dat de Belgische regels een Europese oorsprong hebben, verklaart een aantal keuzes die anders willekeurig lijken — waarom bepaalde procedures verplicht zijn boven een drempel, waarom een opdracht soms in meerdere talen gepubliceerd wordt, en waarom een hervorming die vandaag in Brussel wordt voorgesteld, over een paar jaar ook in elke Belgische gemeente voelbaar zal zijn. Eldorados volgt beide niveaus — het Belgische e-Procurement en Bulletin der Aanbestedingen, en de Europese publicatie via TED — net omdat een opdracht zelden nog uitsluitend nationaal is.